Marie Anderson Veteraan der Vrije Gedachte

Manuscript op zoek naar een uitgever.

Marie Anderson (1842-1917)

Veteraan der Vrije Gedachte

Door de literaire wereld is Marie Anderson altijd gezien als een sensatiebeluste roddeltante, die de aandacht op zichzelf wilde vestigen en die onzedelijke stukken schreef in Vrijdenkerskrantjes. Maar Anderson was zoveel meer dan dat, zoals dit levensverhaal hoopt aan te tonen.

            Haar vader gaf dit intelligente maar chaotische meisje huisonderwijs en leerde haar achting te hebben voor al wat leeft. Hij, commies bij de belastingdienst, was een van de oprichters van de Haagse vereniging ter bescherming van dieren en net als hij trok zijn dochter zich levenslang hun lot aan. Als ze in 1864 gaat schrijven voor het Vrijdenkers-tijdschrift De Dageraad, wijst ze als eerste vrouw in Nederland op het belang van de bescherming van dieren tegen onrecht en marteling. Later komt daar haar afkeer van vivisectie bij: geen dierenmarteling voor wetenschappelijk onderzoek.

Net als veel jonge vrouwen in die tijd werd ook zij sterk beïnvloed door Multatuli en door het lezen van diens werken werd haar rechtvaardigheidsgevoel nog verder aangewakkerd. Een persoonlijke kennismaking met de schrijver via haar catechisatie-vriendin Mimi Hamminck Schepel, leidde tot lange wandelingen en uitgebreide gesprekken over haar behoefte aan vrijheid en onafhankelijkheid. Fel en onverbloemd ging ze mede daardoor te keer tegen alles wat in haar ogen onrechtvaardig was, vooral ook tegen de positie van de vrouw, die haar eigen zaken niet mocht behartigen en in alles afhankelijk was van de man. Onder eigen naam schreef ze daarover in De Dageraad, een grote uitzondering in een tijd dat zelfs de meeste mannen een pseudoniem gebruikten om hun reputatie te beschermen.  Eerder dan andere Nederlandse feministes pleitte zij al in 1868 niet alleen voor ontwikkeling en recht op arbeid voor vrouwen, maar voor volledige gelijkstelling tussen man en vrouw.

Een korte affaire met de schrijvende jonkheer Frederik Hartsen leidde tot een verblijf in Frankrijk en de geboorte van haar zoon Frédéric Marie in 1870. Het plotselinge vertrek van Hartsen liet haar na drie maanden achter als ongehuwde moeder in Pau, in de Franse Pyreneeën. Marie liet hem weten dat zij geen prijs stelde op zijn ondersteuning en haar zoon zelf wel zou opvoeden tot een goed mens. En dat deed zij. Om in hun onderhoud te voorzien was zij tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 korte tijd oorlogscorrespondente voor een Nederlandse krant. Toen dat ophield ging ze terug naar Nederland.

Om de schande van een ongehuwd moederschap halverwege de negentiende eeuw te ontlopen, verhuisde ze daarna met haar zoontje Riekje naar Duitsland. In Wiesbaden volgde de jongen eerst lager en daarna gymnasiaal onderwijs. Hij kreeg vioolles en bleek begaafd. Na een conservatoriumopleiding in Würzburg werd hij concertmeester in Mainz.

Marie, die steeds met hem mee verhuisde, hield hen in leven door als schrijfster het ene werk na het andere bij verschillende uitgevers in Nederland te publiceren, meestal opruiende pamfletten of historische romans. Nog afgezien van haar ingezonden artikelen, verschenen er 28 verschillende werken tussen 1864 en 1908. Zij zag haar werk als tendensliteratuur waarmee ze misstanden in de samenleving wilde aantonen, maar dat werd niet begrepen. Haar boeken werden meestal niet gunstig besproken door mannelijke critici, daarvoor was haar naam te controversieel en was ze haar tijd te veel vooruit. Volgens haarzelf werd ze in Nederland verguisd omdat ze zich niet schikte naar de vaderlandse benepenheid: ze weigerde ‘klein’ te zijn en eiste de vrijheid op om ‘ruim’ te denken. Dat zij kon leven van haar pen, zij het karig, was voor een negentiende-eeuwse vrouw een grote prestatie. De meeste schrijvers hadden in die tijd andere inkomsten of verdienden geld met lezingen, zoals Multatuli. Zij hield met haar schrijverij niet alleen het hoofd boven water, maar zorgde er ook voor dat haar zoon zijn muzikale talent kon ontplooien. Haar strijd om het bestaan was des te zwaarder vanwege de discriminatie waaraan ze als ongehuwde moeder blootstond.

Marie Anderson is een eenling gebleven, in haar strijd voor vrouwenemancipatie, tegen het geloof, dierenmishandeling en vivisectie, en voor het vegetarisme. Ze zocht geen aansluiting bij de vrouwenbeweging die na 1880 in Nederland op gang kwam, ook omdat die in Duitsland buiten haar gezichtskring viel. Had ze in Nederland gewoond, dan had ze ongetwijfeld affiniteit gehad met de Vrije Vrouwenvereeniging die in oktober 1889 door Wilhelmina Drucker en vijf geestverwanten werd opgericht. Marie vocht in haar eentje voor alles wat zij de moeite waard vond, met rechte rug en opgeheven hoofd. Haar leven lang is ze een gedreven strijder en een opstandige vrouw gebleven, met het motto ‘Tegen de stroom op’. Deze vrouwelijke Don Quichote verdient het omhoog getrokken te worden uit de nevelen van de tijd en volop in het licht te staan.