De nakomelingen van Multatuli

 

Eén vrouw is er die niet zo voor de hand ligt als je nadenkt over de vrouwen rond Multatuli: zijn dochter Nonni. En toch is ze heel belangrijk voor hem geweest, al was het maar dat hij haar definitief verloor door zijn eigen schuld. Hij heeft haar kinderen nooit willen zien.

Multatuli had geen nakomelingen, heeft de literaire wereld altijd beweerd in een tijd dat alleen mannelijk nageslacht nog als zodanig kon gelden: zijn enige zoon Edu immers had met zijn vrouw Annetta Post van Leggelo nooit kinderen gekregen. Gelukkig denken we daar tegenwoordig anders over, want Eduard Douwes Dekker heeft wel degelijk nageslacht. Nonni trouwde met de geoloog Francesco Bassani en kreeg twee zonen, waarvan er een, de jongste, zelf ook weer kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen kreeg. In Canada wonen tegenwoordig nog een jongen en een meisje Bassani, geboren in 2016 en 2015. Multatuli is hun bet-betovergrootvader. Ook al heten ze geen Douwes Dekker, ze heten nog steeds Bassani en zijn beslist wel zijn nakomelingen!

 

Bronnen:

Ancestry, online archief.

Jacobsen, Rosalia, ‘Bij Multatuli’s dochter in Napels’ in Het Vaderland, mei 1906. Knipsel Multatulihuis, Amsterdam.

Meulen, Dik van der, Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Nijmegen, Sun 2002.

My Heritage, online archief.

Pée, dr. Julius, Multatuli en de zijnen. Amsterdam, Wereldbibliotheek N.V. 1937.

Vermoortel, Philip, ‘Max Lebakman: kampioen van Nederlands eersten schrijver. Julius Pée en Multatuli’, in Campenhout, Nico red. Een man, zijn vrouw en hun twee zonen. Een collectieve biografie van de familie Pée. Gent, Academia Press 2012.

Nonni

Elisabeth Agnes Everdina Douwes Dekker werd op 1 juni 1857 in Soerabaja in een logementje bij Montfort geboren, terwijl haar vader rondzwierf door Europa, op zoek naar wat? Dat wist hij zelf niet, maar hij belandde na zijn omzwervingen in Brussel waar hij in een eenvoudig cafeetje het boek schreef dat de koloniale gedachte zou veranderen: Max Havelaar.

            Een jaar later verhuisde Multatuli’s vrouw Tine met de kleine Nonni, zoals ze werd genoemd, en haar vier jaar oudere broertje Edu naar de tabaksplantage van Jan Douwes Dekker, de broer van haar man Eduard. Die lag in het district Rembang, ongeveer 150 km ten noord-westen van Soerabaja. Jan zelf was overigens met zijn tweede vrouw en kinderen met verlof naar Nederland gekomen en woonde gedurende die tijd in Brummen in Gelderland.

            Nonni had haar vader dus nog nooit gezien toen zij met haar moeder, broertje en een baboe in het voorjaar van 1859 naar Europa kwam. In het Belgische Luik werd het gezin herenigd en ze streken neer in een boerenherberg in het nabijgelegen plaatsje Visé. Daar was echter juist een kermis aan de gang, en de bevolking, niet gewend aan dames in sarong en kabaja, dacht te maken te hebben met een troep zigeuners en jouwde ze uit. Vervolgens bemoeide de burgemeester zich ermee en kregen ze twee dagen om te vertrekken, anders zouden ze als landlopers worden opgepakt. Geld hadden ze niet, maar gelukkig hielp een vroegere vriend van Multatuli uit Indië, die nu in Maastricht woonde.

Eduard ging terug naar zijn armelijke café in Brussel en Tine trok met kinderen en baboe op de pof naar Den Haag, waar haar getrouwde zuster haar niet wilde helpen als ze niet van die Douwes Dekker zou scheiden. De volgende dag gingen ze verder naar haar zwager Jan Douwes Dekker in Brummen. Daar kregen ze onderdak, zij het niet van harte. De bijna tweejarige Nonni had haar vader precies twee dagen meegemaakt en niet op zijn best.

Nonni en haar vader

Ook de rest van haar leven zag ze hem sporadisch. Hij leidde een zwerversleven, al gauw samen met zijn vriendin Mimi Hamminck Schepel. Nonni woonde met haar moeder en broer in Brussel en later in Padua bij haar moeders Brusselse vriendin Stephanie Etzerodt, die daar getrouwd was met de hoogleraar geologie Giovanni Omboni. In Brussel zocht hun vader zijn gezin soms nog op, in Italië niet meer.

            Geen wonder dat het meisje snakte naar een gewoon contact met haar vader, maar tegelijkertijd steeds meer een afkeer van hem kreeg toen ze in februari 1869 met moeder en broer arriveerde op de Zuid-West Binnensingel, nu Buitenom in Den Haag. Daar hadden haar vader en Mimi met het geld dat zij geërfd had een huis kunnen huren om met z’n allen te gaan wonen. Tine wilde eigenlijk helemaal niet weg uit Italië, waar ze het naar hun zin hadden en waar de kinderen goed onderwijs kregen. Hun man en vader had echter een klemmend beroep op hen gedaan toch te komen om hem te rehabiliteren in de ogen van zijn lezers, die vonden dat hij zijn gezin verwaarloosde.

 In het begin ging het goed; hun vader, die ze Dek noemden was opgetogen, al herkende hij zijn zoon nauwelijks, zo groot was de nu vijftienjarige Edu geworden. Nonni was een lief meisje van elf, met ongebruikelijk lang blond haar, dat het heerlijk vond bij haar vader op schoot te kruipen. Haar moeder Tine vond dat eigenlijk niet goed, die intimiteit tussen vader en dochter nu Nonni ouder werd. Snel verslechterde de situatie in Den Haag. Er was te weinig geld en de twee vrouwen zaten elkaar haast vanzelfsprekend in de weg. De ruzies rezen de pan uit en Dek werd razend als de kinderen onderling Italiaans spraken. De sfeer was om te snijden.

                  Begin 1870 was de situatie zo onhoudbaar geworden, dat Tine de hulp van haar vriendin Stephanie voor de tweede keer inriep, hoewel het haar veel kostte weer om geld te moeten vragen. Ze wilde echt niets liever dan terug naar Italië, en uiteindelijk gebeurde dat stiekem, zonder dat Multatuli het wist. In juni 1870 werden ze weer door Stephanie met open armen ontvangen in Padua, om nooit meer naar Nederland terug te gaan. De verhouding tussen vader en dochter was voorgoed bekoeld.

Na Tine’s dood

Op 13 september 1874 stierf Tine in Venetië, waar zij en Nonni waren gaan wonen toen Edu daar een betrekking kreeg. Nonni kon daar goed tekenlessen volgen. Toen Dek en Mimi over Tines dood hoorden, wisten ze niet wat te doen. Nonni was pas zeventien, die moest na de dood van haar moeder wettelijk nog bij haar vader wonen. Hij kon haar niet gaan halen, hij had noch het geld, noch het uithoudingsvermogen voor een reis van 70 uur. En dan nog, kon Non wel in huis bij iemand die in wilde echt leefde en waar ze het zo krap hadden? Dan zou hij haar afhouden van haar studie en dat zou ze hem later zeker kwalijk nemen. Ze deden dan ook maar niets, behalve schrijven aan vrienden om geld te vragen voor de kinderen. Wel trouwden Eduard Douwes Dekker en Mimi Hamminck Schepel, op 1 april 1875 in Rotterdam. Nu kon Nonni komen.

                  Maar Nonni is niet bij haar vader gaan wonen, toen niet en later ook niet. Zij was nu eenmaal niet ‘begiftigd met de sublieme lijdzaamheid onzer gebenedijde moeder’, schreef ze later in een biografische schets. Ook na aandringen weigerde Nonni pertinent. Ze bleek naar München te zijn gegaan voor haar tekenopleiding en ze was niet van plan die te onderbreken. Dan moest dat maar zo, besliste haar vader, want hij had geen zin om met een ‘verwaand jong ding’ over principes te kibbelen.

Wel had ze Dekker en Mimi in 1879 nog een keer opgezocht in Wiesbaden, een beleefdheidsbezoek, waarbij ze ieder echt contact vermeed en niet met haar vader wilde wandelen omdat ze aan haar verloofde ging schrijven. Dek begreep daar niets van, hij had zich er zo op verheugd; ze vond ‘een vreemde’ kennelijk interessanter dan haar vader, dacht hij bitter.

Het is trouwens maar de vraag of die wandeling een succes zou zijn geweest. Nonni was in München toegetreden tot de katholieke kerk en heel devoot geworden. Op 5 april 1879 was zij daar door de bisschop van Augsburg gedoopt. Later zou ze een mystica worden, die niets liever las dan heiligenlevens en sentimentele brieven daarover schreef aan een pater met wie ze langdurig correspondeerde.  Bovendien had ze zich aan de kunst gewijd en haar vader dacht daar zo heel anders over: ‘Ik voelde dat ze my aanzag voor 'n onontwikkelde noordsche barbaar als ik niet in verrukking was over de zotte poppetjes van Rafael of de ellendige geestelooze rymelary van Dante’. Nonni en haar vader waren elkaar volkomen vreemd geworden.

 

Nonni’s huwelijk

Op 30 september 1880 zou zij trouwen met Francesco Bassani, die ze bij haar moeders vriendin Stephanie had leren kennen toen Francesco assistent werd van Stephanies man Giovanni Omboni, hoogleraar in de geologie. Francesco was geboren in Thiene, bij Vicenza op 19 oktober 1853. Zijn vader Antonio was daar kasteelbeheerder van het Palazzo Porto Collioni, dat nog steeds te bezichtigen is. In Padua ging Francesco natuurwetenschappen studeren en na zijn afstuderen was hij gaan werken bij Omboni in het kabinet van mineralogie en geologie in Padua.

Omdat Nonni nog geen 23 jaar was, moest Multatuli toestemming geven. Die weigerde hij. Bassani en ook diens vader smeekten hem, maar Dek schreef aan Nonni zelf, dat hij er niet aan dacht. Hij had nooit kennis gemaakt met haar aanstaande en hij liet geen wildvreemde toe in de ‘intimiteit’ van zijn gezin. Hij kon geen toestemming geven voor iets waar hij niets van af wist, vond hij. Ze was die relatie zonder hem begonnen, ze moest zelf nu ook maar zien wat ze ermee deed. Hij kreeg een woedende brief van consul Teixeira de Matthos die hem met het gerecht dreigde. Dekker moest natuurlijk overstag, maar het betekende wel het eind van de verhouding tussen vader en dochter.

                  Toen Bassani zijn schoonvader Douwes Dekker liet weten dat Nonni op 17 augustus 1881 in Padua was bevallen van hun zoontje Guido, reageerde hij ook nu niet. Wel schreef hij erover aan Vitus Bruinsma: ‘Ik voelde daarby zoo hoe ze voor goed van my is afgescheiden’. Het zou niet nodig zijn geweest zonder zijn halsstarrigheid. Maar ook niet zonder haar haatdragendheid, vooral tegenover Mimi, de tweede vrouw die in haar ogen haar vereerde moeder had verdrongen. Stephanie Etzerodt, haar moeders vriendin die haar na Tines dood nog vier jaar als een eigen dochter in huis had gehad, noemde haar later iemand met een koud hart, kil en berekenend.

 

Guido en Mario Bassani, kleinzonen van Multatuli

Op 26 juli 1887 kreeg de zesjarige Guido een broertje, Antonio Mario. Hij werd Mario genoemd. Zijn vader was toen net benoemd tot hoogleraar in Napels en Mario werd geboren bij zijn grootouders in Thiene. Beide jongens groeiden verder op in Napels en zeker Guido voelde zich volbloed Napolitaan. Guido was als kind niet helemaal gezond en Nonni maakte zich zorgen om hem.  Ze had veel met hem te stellen, zoals ze aan haar biechtvader schreef tussen mystiek zwijmelen over haar heiligen door. Bij al haar studie vond ze weinig tijd voor kinderen en huishouden, vertelde ze. Ze tekende bovendien de fossiele vissen die als illustratie dienden bij de wetenschappelijke publicaties van haar man. Die was altijd aan het werk en de kinderen waren levenslustig, maar zij leidde een teruggetrokken leven in stilte.

Ze voelde het bloed in haar aderen stilstaan schreef ze haar pater, toen de toen zeventienjarige Guido haar uitdagend vertelde op school bij de godsdienstles geleerd te hebben dat de bijbelse David een overspelige avonturier en moordenaar was. Haar moederlijke toewijding schoot tekort, voelde ze, omdat ze hem Gods vergeving bij oprecht berouw niet had kunnen bijbrengen. Het werd nog erger toen haar stoere blonde zoon eind december 1899 dienst nam bij de bersaglieri, de scherpschutters van het leger, notabene als vrijwilliger.

Mario was anders, hij zag er meer Italiaans uit dan zijn broer, met zijn zwarte haren en zijn zachte zangerige stem, maar voelde zich er niet zo thuis als zijn broer. Na zijn schoolopleiding, die hem minder moeite kostte dan Guido, wilde hij veeartsenij studeren en daarna naar Amerika gaan. In december 1908 liet hij zich inschrijven aan de Hogeschool voor veeartsenijkunde en in het voorjaar van 1912 deed hij examen.

Guido was inmiddels weg bij de scherpschutters, en beambte bij de Koninklijke bibliotheek van Napels geworden. In 1909 was hij getrouwd met Giovina Federico. Zij kregen geen kinderen. Hij stierf in 1950.

Dood van Francesco en Nonni

In de eerste wereldoorlog moesten beide broers onder de wapenen. Guido diende aan het front, Mario werkte sinds 1915 als onderluitenant-veearts. In het begin van datzelfde jaar was hun vader ernstig ziek geworden, ‘nierontsteking’. Voor zijn herstel gingen Nonni en hij met Pasen 1916 naar Capri. Ze zouden er tot mei blijven, maar dat liep anders. De ziekte verergerde en op 26 april 1916 overleed Francesco Bassani in het bijzijn van Nonni en hun zonen, die bijtijds waren overgekomen.

 Nonni zou op Capri blijven wonen, waar Guido haar in 1919 langdurig opzocht . Ze gaf er Italiaanse les aan Engelse dames om haar magere pensioen aan te vullen, dat door de devaluatie van de lire na de oorlog nog weinig waard was. Ze leidde een eenzaam leven, omdat ze geen enkele geestelijke aansluiting vond binnen de groep buitenlanders. Het leek wel alsof ze onder heidenen leefde, schreef ze haar pater. Ze leed bovendien aan heftige reumatiek. De Vlaamse kunstschilder Albert Lefebvre zag haar behoeftige omstandigheden toen hij haar een bezoek bracht en via een correspondent van het Handelsblad die hij persoonlijk kende, Cornelis Karel Elout, kreeg Nonni er tot haar dood nog een jaarlijkse uitkering van vierhonderd gulden bij van het Tollensfonds. Dat fonds was in 1860 opgericht, oorspronkelijk om oudere, behoeftige dichters te steunen. Het had kennelijk toch zo zijn voordelen om haar vaders dochter te zijn.

Eind oktober 1932 kreeg Nonni een beroerte en op 11 juni 1933 overleed ze, voorzien van de laatste sacramenten. Ze werd opgebaard in dezelfde witte jurk en met een krans van oranjebloesem in het haar als waarin ze in 1879 was gedoopt. Zijzelf had dit zo gewild om als een jonge bruid haar Heiland tegemoet te gaan, volgens ene pater Cimino, die haar brieven zou bundelen en laten uitgeven.

Mario in Londen

Mario was nog gedurende de oorlog in 1914 getrouwd met de op 11 maart 1893 geboren Giovanna Maria Rosa Cipriani en toen hij thuiskwam na de oorlog in 1919, vond hij daar zijn op 7 augustus 1918 in Mantua geboren zoontje Aldo Roberto Francesco, een echte schat volgens oma Nonni. Mario besefte dat zijn hart niet bij zieke dieren lag, maar bij de letterkunde. Zijn plan om als veearts naar Amerika te gaan liet hij varen en hij vertrok rond 1920 met vrouw en zoon naar Londen om daar Italiaanse letteren te studeren, de eerste jaren waarschijnlijk naast het werken als dierenarts. Hij ging wonen in St Pancras, waar in mei 1921 zijn tweede zoon Hugo Francesco Antonio werd geboren.

Mario’s studie ging uitstekend, zo goed, dat hij in 1926 een wedstrijd in de Italiaanse literatuur won. Tenslotte werd de voormalig veearts lecturer Italiaans aan het University college in Londen. De letteren bleven zijn passie, in tegenstelling tot zijn broer Guido, die nooit een boek las maar bezeten was van de duivensport, met name van Luikse reisduiven met hun prachtige rode ogen. Van Multatuli wilden beide kleinzonen niets weten. Wij zijn te ver verwijderde afstammelingen, schreef Mario aan Julius Pée, die rond 1937 naar hen informeerde. Over Tine wisten ze niet veel anders, dan dat zij een halve heilige was, mishandeld door haar echtgenoot, la maltrattata nona. Het maakte dat zij bepaald niet open stonden voor contact met Multatuliaanhangers, evenmin als hun nakomelingen dat zouden doen.

Aldo Bassani, achterkleinzoon van Multatuli

Aldo was twee toen hij in 1920 in het donkere, mistige Londen van de smog aankwam, zo totaal anders dan de warmte van Italië. Een jaar later kwam er dan nog een broertje bij, Hugo. Het zal niet makkelijk voor het jongetje zijn geweest. Van hun jeugd weten we helaas niets.

                  Aldo ging architectuur studeren en werd daarna eerst assistent-landmeter en werkte later tot zijn dood bij de London County Councel. Hij was Italiaan en dus in 1939 een persona non grata. (Italië koos in de tweede wereldoorlog de kant van Duitsland). Hij kwam dat jaar voor op de lijst ‘Britain, enemy aliens and internees, First and Second World Wars Transcriptions’, evenals in 1941-42 en 1943-45 in de categorie ‘Armed forces & conflict’. Het is niet duidelijk of hij ook werkelijk geïnterneerd was, maar makkelijk zal het niet zijn geweest.

Eind 1944 trouwde hij in Wandsworth met Pyllis Louise Cooper, geboren op 30 december 1915, en dus drie jaar ouder dan haar echtgenoot. Ze moest haar Engelse nationaliteit opgeven toen ze met een Italiaan trouwde, iemand uit een vijandig land. Na de oorlog kreeg zij meteen in 1945   haar nationaliteit terug, maar haar echtgenoot Aldo moest tot 1948 wachten tot hij genaturaliseerd kon worden. Het echtpaar woonde toen in Clapham, London.

                  In maart 1951 werd hun dochter geboren, Stella M.J. Bassani, gevold door twee zonen, Adrian Robin Francis in december 1954 en Julian V. F. in december 1958. Online is verder over deze kinderen heel weinig te vinden. Alleen dat Stella trouwde met Timothy Martin in september1981 en dat Adrian trouwde met Janet M. Murphy, waar en wanneer is onbekend. Er is dus nog wel wat werk aan de winkel in the National Archives in Londen. Ik benaderde de jongste zoon in 2017, maar kreeg helaas nooit antwoord, evenmin als Philip Vermoortel, toen bestuurslid van het Multatuli Genootschap.

Adrian en Janet kregen een dochter, Gemma L. Bassani, over wie ook verder niets bekend is. Zij is een directe nakomeling van Francesco Bassani en Nonni Douwes Dekker en dus van Multatuli.

Hugo Bassani, achterkleinzoon van Multatuli

Hugo was in Londen geboren, dus hij was Engelsman toen de oorlog uitbrak. Hij werd elektricien en trouwde in 1946 in Wandsworth met Gertrude Mary Weber.

Ze kregen drie kinderen, twee dochters en een zoon. Michael P. Bassani werd in 1949  geboren, en nauwelijks een jaar later kwam Christine, in december 1950. Hun dochtertje werd nog geen jaar, want in september 1951 stierf ze.

                  Was er een reden waardoor de omgang was verbroken, of was het het Engelse erfrecht waarbij de oudste zoon alles erft? Hoe het ook zij, toen vader Antonio Mario in 1955 was overleden en zijn testament in 1956 in de registers opgenomen werd, bleek al het geld naar Aldo en moeder Phyllis te gaan en Hugo Francesco Antonio kwam in het hele testament niet voor. Toen zijn moeder in 1960 in een ziekenhuis in Londen stierf, bleek ook zij per testament alles aan Aldo te hebben nagelaten.

                  Het was voor het gezin van Hugo in Engeland heel moeilijk geworden, zeker ook door de dood van Christine, en ze wilden alles achter zich laten. Nadat op 12 september 1956 hun dochter Tina M. Bassani was geboren, maakten ze plannen om te gaan emigreren. Op 13 maart 1957 vertrok Hugo met Gertrude, de achtjarige Michael en baby Tina vanuit Halifax met het schip ‘Carinthia’ naar Canada. Ze gingen wonen in de buurt van Toronto, in het stadje Peel, waar Hugo als mecanic ging werken. Vader Hugo en moeder Gertrude leefden verder als Tony en Trudy. Ze gingen op latere leeftijd naar de VS, naar Jacksonville, Duval, Florida, waar Hugo-Tony op 2 maart 1986 stierf.

                  Hun dochter Tina bleef in Canada, in Barrie, Ontario, waar zij de in 1954 geboren Michael Joseph Denena leerde kennen. Van hem kreeg ze een zoon, die ze naar zijn vader vernoemde. Hij kreeg haar achternaam, Michael Bassani. Zijn vader Michael Denena overleed in 2003.

Michael Smith Bassani, achter achter achterkleinzoon van Multatuli

Michael Bassani trouwde met Jacelyn Smith en noemt zich nu Michael Smith Bassani. Hij is van de generatie van zijn nichtje Gemma L. Bassani in Londen, maar wist niets van een Londense tak. In 2017 schreef ik ook zijn moeder Tina in Barrie, die ik via Facebook had gevonden en die niets van mij of Multatuli wilde weten. Haar zoon Michael echter zocht wel contact. Volgens hem wilde zijn moeder niet over het verleden praten en geloofde ze niets van mijn verhaal: haar familie kwam uit Duitsland, dat wist ze zeker en over een schrijver had ze nooit iets gehoord. Michael echter kende geen enkel familielid uit Duitsland en geloofde mijn verhaal op grond van archiefstukken wel. Hij bleek zeer geïnteresseerd in zijn afstamming van een groot schrijver en biechtte op daar zelf ook wel van gedroomd te hebben. In zijn gezicht heeft hij wel wat van zijn illustere voorvader. Van hem kwam de laatste informatie over zijn ouders en zijn huwelijk. Hij heeft een dochter, Alexis, geboren in 2015 en een zoon, Marcus, uit 2016. Zij zijn de laatste Bassani’s tot nu toe, directe afstammelingen van Multatuli.

 

 

Nonni, vier en Edu, acht jaar

Nonni in 1869 in Den Haag

Francesco Bassani

Nonni als jonge vrouw

Guido en Mario als jongetjes

Nonni op haar laatste ziekbed

Multatuli, tekening door Overman, naar oudste foto.

eronder: Michael Smith Bassani